De Shaytaan weet wat in het hart van de mens is (AR-NL)

Hits: 0

قال شيخ الإسلام ابن تيمية رحمه الله : ” وهم وإن شموا رائحة طيبة ورائحة خبيثة
[أي الملائكة تشم ريحا طيبة حين يهم العبد بالحسنة كما جاء عن سفيان بن عيينة] ،
فعلمهم لا يفتقر إلى ذلك ، بل ما في قلب ابن آدم يعلمونه ،
بل ويبصرونه ويسمعون وسوسة نفسه ، بل الشيطان يلتقم قلبه ؛ فإذا ذكر الله خنس ،
وإذا غفل قلبه عن ذكره وسوس ، ويعلم هل ذكر الله أم غفل عن ذكره ،
ويعلم ما تهواه نفسه من شهوات الغي فيزينها له .
وقد ثبت في الصحيح عن النبي صلى الله عليه وسلم في حديث ذكر صفية رضي الله عنها

( إن الشيطان يجرى من ابن آدم مجرى الدم ).

وقرب الملائكة والشيطان من قلب ابن آدم مما تواترت به الآثار ،
سواء كان العبد مؤمنا أو كافرا ” انتهى من “مجموع الفتاوى” (5/508) .


Vertaling: Shaykh al-Islam ibn Taymiyyah (rahimahullah) zei:

Zij ruiken een goede geur of een slechte geur [hiermee bedoelend de Engelen, die een goede geur ruiken wanneer een persoon aan een goede daad denkt, zoals is overgeleverd van Sufyaan ibn ‘Uyaynah]. Maar de duivels hebben die [geur] niet nodig om te weten; veeleer weten zij zelfs wat in het hart is van de zoon van Adam, en zij zien en horen wat hij tegen zichzelf zegt. Bovendien, de Duivel heeft volledige controle over het hart van de mens, dus wanneer hij Allah in herinnering brengt, trekt hij zich terug, en wanneer hij het nalaat om Hem in herinnering te brengen, dan fluistert hij tegen hem. Hij weet of hij Allah gedenkt of het nalaat om Hem te gedenken, en hij weet de begeerten en verlangens van zijn hart en doet ze schoonschijnend voor hem lijken.

Het is bewezen in de Sahih, in de hadith dat genoemd wordt door Safiyyah radiAllahu ‘anha dat de Profeet salAllahu ‘alayhi wa salam zei: “De Shaytaan stroomt door de zonen van Adam zoals bloed.”

De nabijheid van de Engelen en de Shaytaan tot het hart van de zoon van Adam is iets dat bevestigt wordt in vele overleveringen, ongeacht of de persoon een gelovige of ongelovige is.

Bron: Majmoo’ al-Fataawa, 5/508

وقد سئل الشيخ ابن باز رحمه الله – ضمن سؤال طويل –
: وإذا نويت عمل خير في قلبي هل يعلم به الشيطان ويحاول صرفي عنه؟

فأجاب : ” كل إنسان معه شيطان ومعه ملك , كما قال النبي صلى الله عليه وسلم :

(ما منكم من أحد إلا ومعه قرينه من الجن وقرينه من الملائكة . قالوا : وأنت يا رسول الله؟قال : وأنا إلا أن الله أعانني عليه فأسلم فلا يأمرني إلا بخير) .

وأخبر صلى الله عليه وسلم أن الشيطان يملي على الإنسان الشر ويدعوه إلى الشر
وله لَمَّة في قلبه ، وله اطلاع بتقدير الله على ما يريده العبد وينويه من أعمال الخير والشر ,
والملَك كذلك له لمَّة بقلبه يملي عليه الخير ويدعوه إلى الخير ، فهذه أشياء مكنهم الله منها :
أي مكن القرينين ، القرين من الجن والقرين من الملائكة ,
وحتى النبي صلى الله عليه وسلم معه شيطان وهو القرين من الجن كما تقدم الحديث بذلك …

والمقصود أن كل إنسان معه قرين من الملائكة وقرين من الشياطين ,
فالمؤمن يقهر شيطانه بطاعة الله والاستقامة على دينه ,
ويذل شيطانه حتى يكون ضعيفا لا يستطيع أن يمنع المؤمن من الخير ولا أن يوقعه في الشر
إلا ما شاء الله , والعاصي بمعاصيه وسيئاته يعين شيطانه حتى يقوى على مساعدته
على الباطل , وتشجيعه على الباطل , وعلى تثبيطه عن الخير .
فعلى المؤمن أن يتقي الله وأن يحرص على جهاد شيطانه بطاعة الله ورسوله والتعوذ بالله
من الشيطان , وعلى أن يحرص في مساعدة ملَكه على طاعة الله ورسوله
والقيام بأوامر الله سبحانه وتعالى.

” انتهى من “فتاوى الشيخ ابن باز” (9/369).


Vertaling: Shaykh bin Baaz rahimahullah werd in een lange vraag gevraagd: Wanneer ik in mijn hart van plan ben om iets goeds te doen, weet de Shaytaan het dan en probeert hij mij ervan af te houden?

Hij antwoordde:

Iedere persoon heeft een Duivel en een Engel bij zich, zoals de Profeet salAllahu ‘alayhi wa salam zei: “Er is niemand die geen metgezel heeft van onder de Jinn en een metgezel van onder de Engelen.” Zij zeiden: Zelfs u, O Boodschapper van Allah? Hij zei: “Zelfs ik, maar Allah hielp mij met hem en hij werd Moslim (of: en ik ben veilig van hem), dus draagt hij mij op om datgene te doen wat goed is.” En hij salAllahu ‘alayhi wa salam vertelde ons dat de Shaytaan slechtheid predikt tegen de mens en hem tot het slechte oproept, en hij heeft een bepaalde controle over zijn hart. En hij kan met de Wil van Allah zien wat een persoon wil en van plan is om te doen van zowel goede als slechte daden. De Engel heeft ook bepaalde controle over zijn hart, wat hem doet neigen naar het goede en roept hem op tot het goede. Deze controle is iets waartoe Allah hen in staat stelde om te hebben, i.e., Hij heeft een bepaalde kracht gegeven aan de metgezellen van onder de Jinn en van onder de Engelen; zelfs de Profeet salAllahu ‘alayhi wa salam, had een Shaytaan bij zich die een metgezel was van onder de Jinn zoals vermeld wordt in de Hadith die boven geciteerd is.

Het punt is hier dat iedere persoon een metgezel bij zich heeft van onder de Engelen en een metgezel van onder de Duivels. De gelovige onderdrukt zijn Shaytaan door Allah te gehoorzamen en zich aan Zijn religie te houden, en hij vernedert zijn Shaytaan totdat hij zwak wordt en niet in staat is om de gelovige te weerhouden van het doen van het goede of om hem in het slechte te doen vallen, behalve voor wat Allah Wil. Maar de zondaar, via zijn zonden en slechte daden, helpt de Shaytaan totdat hij sterk genoeg wordt om hem te helpen het slechte te navolgen en hij moedigt hem aan dit te doen en hij wordt sterk genoeg om hem af te houden van het doen van het goede.

De gelovige moet Allah vrezen en ernaar streven om weerstand te bieden tegen zijn Shaytaan door Allah en Zijn Boodschapper te gehoorzamen, en toevlucht te zoeken bij Allah tegen de Shaytaan. En hij moet scherp zijn om zijn Engel bij te staan om Allah en Zijn Boodschapper te gehoorzamen en om de bevelen van Allah na te volgen.

 

Bron: Fataawa al-Shaykh ibn Baaz, 9/369

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Resize text-+=