Aahaad آحاد hadith (ahadith die door enkel 1 sahabi/metgezel en maximaal 3 – doorgegeven is in de eerste drie generaties)

Hits: 0

Hadith al-Aahaad آحاد

Dit is ieder hadith die niet Mutawatir is. (De Edele Koran is geen hadith-overlevering, maar kan wel mutawaatir genoemd worden via de asanid (ketens) in alle 10 de recitatiestijlen/qira-aat, doordat het door vier of meer Sahaaba/Vrienden is doorgegeven.) Dit is een hadith die in de eerste drie generaties overgeleverd is door één tot vier sahaaba (de edele metgezellen van de Profeet Muhamad صلى الله عليه وسلم). De aahaad hadith wordt onderverdeeld in drie subcategories:

Mashur (bekend): Dit is een hadith die oorspronkelijk in de eerste generatie overgeleverd is door twee tot vier overleveraars. Later werden ze op hun gezag door meerdere overleveraars overgeleverd.
‘Aziz (sterk): Een hadith dat meer dan twee overleveraars heeft in iedere link van de keten van overlevering.
Gharib (ongebruikelijk): Een hadith dat op ieder punt van de keten door een enkele persoon overgeleverd is.


Hier volgen citaten uit een verhandeling van imam al-Shafi’i dat bekend staat als Al-Shafi’is al-Risala [PDF, 37MB], welke gaan over de onderbouwing voor de acceptatie van de aahaad hadith:

413. Imam Al-Shafi’i zei: ‘Abd al-‘Aziz [al-Darawardi] vertelde ons via Muhammad bin ‘Ajlan van ‘Abd al-Wahhab bin Bukht van ‘Abd al-Wahid al-Nasri van Wathila bin al-Asqa van de Profeet, hij zei:

De grootste van de leugenaars is hij die mij datgene toeschrijft wat ik niet heb gezegd, die beweert dat hij (iets) gedroomd heeft wat hij niet heeft gedroomd, of beweert dat hij de zoon is van iemand anders dan zijn eigen vader. (Bukhari, deel 2, pag. 384 en ibn Hanbal, deel 8, pag. 85-86 en 243-244. Er worden verschillende autoriteiten geciteerd.)

‘Abd al-‘Aziz [al-Darawardi] leverde over van Muhammad bin ‘Amr [bin ‘Alqama] van abi Salama [bin ‘Abd al-Rahman] van abu Hurayrah, dat de Profeet zei:

Wie aan mij toeschrijft wat ik niet heb gezegd, zal zeker zijn plaats in het vuur betrekken. (Ibidem)

Yahya bin Sulaym leverde mij over van ‘Ubayd-Allah bin ‘Umar van abu Bakr bin Salim van ibn ‘Umar, dat de Profeet zei:

Wie een leugen over mij verteld, zal een huis voor hem gebouwd krijgen in het vuur. (Ibn Hanbal, deel 6, pag. 333, deel 8, pag. 137; deel 9, pag. 137-138; Shafi’i, Musnad, deel 1, pag. 17)

‘Amr bin abi Salama vertelde ons via ‘Abd al-‘Aziz bin Muhammad van Asid bin abi Asid van zijn moeder, die zei:

Ik vroeg abu Qatada: Hoe komt het dat je niet van de Boodschapper verhaald zoals andere mensen doen? ‘Ik hoorde de Boodschapper zeggen: Hij die een leugen over mij verteld zoekt zeker een rustplaats voor zichzelf in het vuur. De Profeet begon dit te zeggen terwijl hij de grond met zijn hand veegde,’ antwoordde hij. (Muslim, deel 1, pag. 66-72; Darimi, deel 1, pag. 76-77; Shafi’i, Musnad, deel 1, pag. 17)

Sufyan [bin ‘Uyayna] leverde over van Muhammad bin ‘Amr [bin ‘Alqama] van abu Salama [bin ‘Abd al-Rahman] van abu Hurayra, dat de Profeet zei:

حدثوا عن بني إسرائيل ولا حرج وحدثوا عني ولا تكذبوا علي

Verhaal van de stam van Israa-iel, het kan geen kwaad. En verhaal van mij en lieg niet over mij. (Ibn Hanbal, deel 9, pag. 250-251; deel 9, pag. 127, 207; Shafi’i, Musnad, deel 1, pag. 17)

Dit is de meest nadrukkelijke overlevering dat ooit door de Profeet over deze zaak is overgeleverd. Wij baseren ons hierop alsook op andere overleveringen bij het niet accepteren van een overlevering, tenzij het van een betrouwbare overleveraar is en wij de betrouwbaarheid kennen van hen die het overgeleverd hebben vanaf het begin tot aan het einde.

(Al-Shafi’is Risala, pag. 250-251)

417. [Shafi’i] antwoordde: Sufyan [bin ‘Uyayna] vertelde ons via ‘Abd al-Malik bin ‘Umayr van ‘Abd al-Rahman bin ‘Abd-Allah bin Mas’ud van zijn vader, dat de Profeet zei:

Allah zal voorspoed schenken aan Zijn dienaar die mijn woorden hoort, ze memoriseert, ze bewaakt en ze doorgeeft. Vele overhandigers van de wet zijn zelf geen rechter en vele kunnen (de) wet aan anderen doorgeven, die bekwamer zijn in de wet dan hen. Het hart van de moslim zal te nimmer gevoelens van wrok dragen, tegen drie: oprechtheid in het werken voor Allah; trouw aan de Moslims; en overeenstemmig met de gemeenschap van gelovigen – hun uitnodiging zal [de gelovigen] beschermen tegen valse voorstellingen [van de duivel].

Daar de Profeet de mensen aanspoorde te luisteren naar zijn woorden, ze te bewaken en ze door te geven en daar de man die ze doorgeeft slechts één persoon is, toont dit aan dat de Profeet beval dat niemand iets van hem moet overleveren tenzij aan hem waaraan het overgeleverd was, het bewijs geleverd wordt, omdat datgene wat overgeleverd wordt iets is dat toegestaan is of verboden, een bestraffing dat opgelegd dient te worden, een eigendom dat genomen of betaald moet worden en advies in zaken met betrekking tot religie en het wereldse.

Het laat ook zien dat voor wie geen expert is in de wet het toegestaan is de wet te overleveren; hij kan het met het hart geleerd hebben ondanks dat hij geen expert is in de wet. Het bevel van de Profeet dat de mensen de moslimgemeenschap dienen te volgen, is een bewijs dat de Izjmaa’ van de Moslims bindend is.

Sufyan [bin ‘Uyayna] vertelde ons via Salim abu al-Nadr [beschermeling van ‘Umar bin ‘Ubayd-Allah] van ‘Ubayd-Allah bin abi Rafi’ van zijn vader, die overleverde dat de Profeet zei:

Laat mij niet één van jullie rustend op zijn “bank” aantreffen wanneer je geconfronteerd wordt met een bevel van gebod of verbod van mij, (en dan) zegt: wij volgen alleen wat wij in het Boek van Allah vinden. (Abu Dawud, deel 4, pag. 200)

(Al-Shafi’is Risala, pag. 252-253)

Toen ik een drank van grapefruitsap en dadels serveerde aan abu Talha, abu ‘Ubayda bin al-Jarrah en Ubayy bin Ka’b, kwam er een boodschapper aan die zei: ‘Wijn is zojuist verboden verklaard.’ Daarop zei abu Talha: ‘Kom Anas, breek deze kruiken!’ Aldus pakte Anas een vijzel die wij hadden en ramde de kruiken met de bodem ervan totdat ze braken. (Malik, deel 2, pag. 846-847, Muslim, deel 13, pag. 148-150)

420. Shafi’i zei: Deze mensen stonden dicht bij de Profeet in kennis en positie en de metgezellen van de Profeet hadden een prominente positie welke niet ontkent wordt door enig geleerde man. De drank waar zij van namen was rechtmatig voor hen, maar toen een enkele persoon kwam en hen informeerde dat wijn verboden verklaard is, gaf Talha, de eigenaar van de kruiken, de opdracht de kruiken te breken. Niet hij noch de anderen zeiden dat zij de wijn als toegestaan zouden beschouwen totdat zij de Profeet zouden zien, die vlakbij was, of totdat zij het te weten zouden komen via de publieke kanalen. Anders zouden zij iets wat rechtmatig is verkwist hebben door het leeg te gieten, terwijl zij geen verkwistende mensen waren. Want zij zouden de Profeet vragen wat zij zouden moeten doen, als zij zich niet gebonden voelden aan het accepteren van een eenling-overlevering en de Profeet zou zelf de acceptatie daarvan verboden hebben.

(Al-Shafi’is Risala, pag. 255-256)

http://web.archive.org/web/20071217110643/http://selefieforum.nl/vb/showthread.php/verplichting_om_van_de_hadieth_ahaad_te_nemen-122.html

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Resize text-+=