Samenvatting Biografie van de Boodschapper van Allaah Mohammed ibn ‘Abdillaah

Hits: 3

Bismillaahi-Rahmaani-Rahiem.

Assalamoe ‘alaikom wa rahmatoe Allaahi wa baraktoeh
Samenvatting Biografie van de Boodschapper van Allaah Mohammed ibn ‘Abdillaah salAllaahu 3alayhi wa salam
Door al-Iemaam al-Haafidh: ‘Abdoel-Ghanie ibn ‘Abdoel-Waahid al-Maqdasie (544-600NH)
Voetnoten door: Chaalid ibn ‘Abdoer-Rahmaan ash-Shaay’e.

Zijn salAllaahu 3alayhi wa salam Afkomst:
De hele stamboom van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam: ‘Hij is Aboel-Qaasim, Mohammed ibn ‘Abdoellaah ibn ‘Abdoel-Moettalib ibn Haashim ibn ‘Abdoel-Manaaf ibn Qoesay ibn Kilaab ibn Moerrah ibn K’ab ibn Loe`ay ibn Ghaalib ibn Fihr ibn Maalik ibn anNadar ibn Kinaanah ibn Choezaymah ibn Moedrikah ibn Iliyaas ibn Moedar ibn Nazaar ibn Ma’ad ibn ‘Adnaan ibn Oedad ibn Ale Moeqawwim ibn Naahoer ibn Tayrah ibn Y’arob ibn Yeshjoeb ibn Naabit ibn Ismaa’iel ibn Ibrahiem Chaliel arRahmaan ‘alayhi salatu wa-salaam
Zijn Moeder salAllaahu 3alayhi wa salam
De moeder van de boodschapper ‘alayhi salatu wa-salaam heet: Amienah bint Wahab ibn ‘Abdoel-Manaaf ibn Zoehrah ibn Kilaab ibn Moerrah ibn K’ab ibn Loe`ay ibn Ghaalib.
Zijn salAllaahu 3alayhi wa salam geboorte:
De boodschapper ‘alayhi salatu wa-salaam is geboren in Mekka in het jaar van de olifant (610Chr), maandag 12 Rabie’ al-Awwal.
Het overlijden van zijn salAllaahu 3alayhi wa salam vader, moeder en opa:

Zijn vader ‘Abdoellaah ibn ‘Abdoel-Moettalib overleed toen hij ‘alayhi salatu wa-salaam nog in de buik van zijn moeder was. (Dit is de meest authentieke uitspraak over deze zaak zoals o.a.: Ibnoel-Qayyim, Ibn Kethier, adh-Dhahabie, Ibn Hadjar, Ibnoel-Djowzie e.a. dit hebben bevestigd). Zijn moeder overleed terwijl hij vier jaar oud was en zijn opa toen hij acht jaar oud was.
Wie hem salAllaahu 3alayhi wa salam heeft gezoogd:
Thoewabah de slavin van Aboe Lahab heeft hem ‘alayhi salatu wa-salaam in dezelfde periode met Hamza ibn Abdoel-Moettalib en Aboe Salamah gezoogd nadat zij bevallen was van haar zoon Masroeh.. En Haliemah bint Abie Dhoe`eeb as-S’adieyah heeft hem ‘alayhi salatu wa-salaam ook gezoogd.Zijn salAllaahu 3alayhi wa salam verschillende namen:
Op gezag van al-Djoebair ibn Moet’im: de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam heeft gezegd: “Voorwaar, ik ben Mohammed, en ik ben Ahmed, en ik ben al-Maahie waarmee Allaah al-Koefr heft gewist, en ik ben al-Haashir degene die de mensen verzameld, en ik ben al-‘Aaqib degene waarna er geen profeet meer zal komen.” Sahieh moetafaqoen ‘alaihie.1En zo heeft hij ‘alayhi salatu wa-salaam nog een aantal namen zoals: al-Moestafa, al-Bashier, an-Nadhier etc

 

Zijn salAllaahu 3alayhi wa salam opgroeien in Mekka en zijn vertrek met zijn oom Aboe Taalib naar ash-Shaam en zijn huwelijk met Chadiejah:

 

De boodschapper van Allaah ‘alayhi salatu wa-salaam groeide als wees onder voogdij van zijn opa ‘AbdoelMoettalib en vervolgens (na het overlijden van zijn opa) onder voogdijschap van zijn oom Aboe Taalib ibn ‘Abdoel-Moettalib. Allaah subhaanahu wa ta3ala beschermde hem van elke zonde en schaamte van al-Djaahiliejah (onwetendheid, pre-Islaam) en schonk hem goede eigenschappen. Totdat hij als niets anders dan betrouwbaar onder zijn volk bekend stond. En dit nadat zijn volk zijn bewaring van de invertrouwensstelling en oprechte en zuivere bewordingen zagen.

Toen hij twaalf jaar werd ging hij met zijn oom Aboe Taalib op reis naar ash-Shaam. Toen zij Boesra (zuid-Syrië) bereikte zag (de christelijke) pater (genaamd) Bahaira hem, hij herkende hem gelijk aan zijn eigenschappen. Hij naderde hem en nam hem bij zijn hand en zei: ‘Dit is het hoofd der Werelden! Allaah heeft hem als genade voor de mensheid (djinn en alles wat bestaat) gestuurd.’ Er werd aan hem (Bahaira) gevraagd: ‘Wie heeft je hierover ingelicht?’ Hij zei: ‘Toen jullie aankwamen vanuit de bergpas was er geen boom noch rotsblok dat niet tot neerknieling snelde, en bomen en rotsblokken knielen voor niemand anders dan een profeet. En wij (de christenen) zijn over hem geïnformeerd in onze boeken. Hij vroeg Aboe Taalib (over een aantal zaken) die hem gelijk daarop terugstuurde (naar huis) omdat hij vreesde dat de Joden hem iets zouden doen (als zij wisten wie hij was).2

Daarna is hij een tweede keer op (zaken)reis gegaan met de handel van Chadiejah radi Allaahu ´anha naar ash-Shaam, samen met haar dienaar genaamd Maysarah. Dit was voordat hij met haar trouwde. Nadat hij vijfentwintig jaar werd trouwde hij met Chadiejah radi Allaahu ´anha.

 

De Aanvang van de Openbaring:
Nadat hij veertig jaar was geworden verkoos Allaah hem met Zijn Barmhartigheid en zond hem met Zijn Boodschap. Djibriel ´aleihi salaam kwam bij hem met de Openbaring terwijl hij in de bergspelonk genaamd Hiraa` was in Mekka. Vervolgens heeft hij dertien jaar lang uitgenodigt naar de Tawhied (Eenheid van Allaah). Tijdens zijn verblijf in Mekka bad hij ‘alayhi salatu wa-salaam in de richting van Jerusalem en liet de K’abah voor hem staan terwijl hij bad (zoals in Moestadrak al-Haakim). En hij bad na zijn emigratie naar Medienah zeventien maanden in dezelfde richting.

 

Zijn salAllaahu 3alayhi wa salam Emigratie:
Vervolgens emigreerde hij naar al-Medienah samen met Aboe Bakr as-Saddieq radi Allaahu ´anh en de dienaar van Aboe Bakr ‘Aamir ibn Foehayrah en hun gids ‘Abdoellaah ibn Oerayqid al-Laythie, die toen kaafir was. Het is niet bekend of hij ooit moslim is geworden.Hij ‘alayhi salatu wa-salaamverbleef tien jaar in Medienah.

 

Zijn salAllaahu 3alayhi wa salam Overlijden:
Hij overleed op drieënzestig jarige leeftijd op maandag twaalf Rabie’ al-Awwal 10H. En hij werd op de woensdag daarna begraven nadat hij gewassen was door ‘Ali ibn Abie Taalib, zijn oom al-‘Abbaas, al-Fadl ibn ‘Abbaas, Qoethoem ibn ‘Abbaas, Oesaamah ibn Zeed en Shoeqraan. De moslims hebben vervolgens ieder individueel voor hem ‘alayhi salatu wa-salaam(djanazah) gebeden zonder dat iemand voor een ander Iemaam was. Hij ‘alayhi salatu wa-salaam is begraven in het huis van zijn vrouw ‘Aisha op de plek waar hij is overleden.

 

Zijn salAllaahu 3alayhi wa salam Nakomelingen:
Er zijn van hem ‘alayhi salatu wa-salaamdrie zonen geboren:

 

Al-Qaasim: Waarnaar hij zijn Koeniyah heft (Aboel-Qaasim). Hij werd geboren in Mekka voor de Openbaring. Hij stierf daar toen hij twee jarige leeftijd.
‘Abdoellaah: Hij heet ook at-Taahir en at-Tayyib want hij werd geboren in Islaam.
Ibrahiem: Hij werd geboren in Medienah en overleed daar in zijn zoogperiode.

Wat betreft zijn dochters ‘alayhi salatu wa-salaam:
Zaynab: zij werd gehuwelijkt door Aboel-‘Aas ibn ar-Rabie’ ibn ‘Abdoel-‘Uz haar neef van moederskant. Zij baarde voor hem ‘Ali –die al jong stierf- en Oemamah degene die de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam droeg in zijn Salaah. Oemamah groeide op totdat ‘Ali ibn Abie Taalib haar huwlijkte na het overlijden van Fatimah.
Faatimah: zij werd gehuwelijkt door ‘Ali ibn Abie Taalib en baarde voor hem alHassan, al-Hoesayn, Mohsin –die al jong stierf-, Oem Koelthoem die gehuwlijkt werd door ‘Omar ibn al-Chattab en Zaynab die gehuwlijkt werd door ‘Abdoellaah ibn Dj’afer ibn Abie Taalib.
Roeqayah: zij werd gehuwelijkt door ‘Uthmaan ibn ‘Affaan en stierf onder hem. Vervolgens trouwde hij de vierde dochter van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam Oem Koelthoem.
Oem Koelthoem: Zij werd gehuwelijkt door ‘Uthmaan ibn ‘Affaan nadat haar zus overleden was. Zij baarde één zoon ‘Abdoellaah.De Veldslagen die hij ​alayhi salatu wa-salaam heeft gevoerd
De boodschapper van Allaah ‘alayhi salatu wa-salaam heeft zelf vijfentwintig veldslagen gevoerd en in negen
van deze vijfentwintig gevochten. (Dit zijn de namen van die veldslagen: ) Badr, Oehoed, al-Chandaq, Banie Qoeraydah, al-Moestalaq, Chayber, Fath Mekkah, Hoenayn en at-Taïf. Dit is wat bekend is en wat bevestigd is door (sierah schrijvers zoals: ) Mohammed ibn Ishaaq, Aboe M’asher en Moesaa ibn ‘Uqbah e.a. De militaire expidities en uitzendingen waren echter plusminus vijftig.Hoofdstuk over zijn alayhi salatu wa-salaam schrijvers en gezanten:
Degenen die voor hem ‘alayhi salatu wa-salaam de Openbaring hebben opgeschreven zijn: Aboe Bakr asSaddiq, ‘Omar ibn al-Chattab, ‘Uthmaan ibn ‘Affaan, ‘Ali ibn Abie Taalib, ‘Aamir ibn Foehayrah, ‘Abdoellaah ibn al-Arqam az-Zoehrie, Oebay ibn K’ab, Thaabit ibn Qays ibn Shammaas, Chaalid ibn Sa’ied ibn al-‘Aas, Handhalah ibn ar-Rabie’ al-Asadie, Zeed ibn Thaabit, Moe’aawiyah ibn Abie Soefyaan en Shoerahabiel ibn Hasanah radi Allaahu anhum.
De boodschapper van Allaah ‘alayhi salatu wa-salaam heeft (de volgende) gazanten gezonden:
‘Amr ibn Oemayah ad-Damrie naar an-Nadjaashie (de bevelhebber van Ethiopië) die later moslim is geworden.
Dahieyah ibn Chaliefah al-Kelbie naar Qaysar de koning van Byzantium die uit vrees voor zijn volk geen moslim werd.
‘Abdoellaah ibn Hoedhaafah as-Sahmie naar Kiesrah de koning van Perzië die de brief van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam verscheurde. De profeet ‘alayhi salatu wa-salaam zei hierop: “Moge Allaah zijn rijk verscheuren!” Waarop Allaah zijn rijk en die van zijn onderdanen verwoeste.
Haatib ibn Abie Belta’ah al-Lehmie naar al-Moeqawqas de koning van Alexandrië en Egypte die goeds zei en tot de Islaam naderde maar geen moslim werd. Hij gaf vervolgens Mariejah al-Qibtiejah aan de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam kado.
‘Amr ibnoel-‘Aas naar het koninkrijk van ‘Oman Djayfer en het koninkrijk van ‘Abd ibnay al-Djolandie, zij zijn beide van de stam genaamd Azd, die beiden moslim werden.
Saliet ibn ‘Amr ibn al-‘Aamierie naar Hoedhah ibn ‘Ali al-Hanafie in alYamaamah die geen moslim werd nadat zijn verzoek om een deel van de verantwoording te krijgen werd afgewezen.
Shadjaa’a ibn Wahab al-Asadie naar al-Haarith ibn Abie Shamir al-Ghasaanie de koning van Balqaa` in de Shaam streek.
Al-Moehaadjir ibn Abie Oemayah al-Machzoemie naar al-Haarith al-Himyarie één van de koningen van Yemen.
Al-‘Alaa` ibn al-Hadramie naar al-Mondhir ibn Saawa al-‘Abdie naar de koning van al-Bahrain die een brief terug stuurde en moslim werd.
Aboe Moesaa al-Ash’arie en Moe’aadh ibn Djabel al- imaanie naar de algemene bevolking van Yemen, die vervolgens grotendeels moslim werden.
Zijn alayhi salatu wa-salaam Ooms en Tantes (van vaderskant):
Hij ‘alayhi salatu wa-salaam had elf ooms, zij zijn:Al-Haarith: de oudste zoon van ‘Abdoel-Moettalib.
Qoethoem: overleed op jonge leeftijd.
Az-Zoebayr ibn ‘Abdoel-Moettalib: was één van de edelste van Qoraysh. Zijn zoon is ‘Abdoellaah ibn Zoebayr.
Hamzah ibn ‘Abdoel-Moettalib: de leeuw van Allaah en die van Zijn boodschapper.
Hij werd vroegtijdig moslim en emigreerde naar al-Medienah en was aanwezig bij de veldslag Badr.
Al-‘Abbaas ibn ‘Abdoel-Moettalib: hij werd moslim en emigreerde naar Medienah.Aboe Taalib ibn ‘Abdoel-Moettalib: zijn naam is ‘Abdoe-Manaaf en hij is de broer van ‘Abdoellaah (de vader van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam) van moederskant. Hij stond de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam bij maar werd geen moslim. Zijn zonen zijn: ‘Aqiel, Dj’afer, ‘Ali, en Oem Haanie` (dochter), zij allen tellen onder de sahabah.
Aboe Lahab ibn ‘Abdoel-Moettalib: zijn naam is ‘Abdoel-‘Uzza.
‘Abdoel-K’abah: …..
Hadjal: zijn naam is al-Moeghayrah.
Diraar: de broer van al’Abbaas van moederskant.
Al-Ghidaaq: werd zo genoemd door zijn gulheid.Hij ‘alayhi salatu wa-salaam had zes tantes, zij zijn:Safieyah bint ‘Abdoel-Moettalib: is moslima geworden en is vervolgens naar alMedienah geïmigreerd. Zij is de moeder van az-Zoebayr ibn al-‘Awaam en de zus van Hamza van moederskant.
‘Aatikah bint ‘Abdoel-Moettalib: er wordt gezegd dat zij moslima is geworden.
Arwaa bint ‘Abdoel-Moettalib: haar man was ‘Oemayr ibn Wahab ibn ‘AbdoedDaar ibn Qoesay.
Oemaymah bint ‘Abdoel-Moettalib: haar man was Djehsh ibn Rie`aab de vader van Zaynab bint Djehsh de vrouw van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam .
Barrah bint ‘Abdoel-Moettalib: de vrouw van ‘Abdoel-Asadibn Hilaal ibn ‘Abdoellaah ibn ‘Amr ibn Machzoem. De vader van Aboe Salamah ‘Abdoellaah diegene die voor zijn overlijden met Oem Salamah getrouwd was voor de profeet ‘alayhi salatu wa-salaammet haar trouwde.
Oem Hakiem bint ‘Abdoel-Moettalib:de vrouw van Koerayz ibn Rabie’ah ibn Habieb ibn ‘Abdoesh-Shams ibn ‘Abdoe-Manaaf. Zij baarde Arwaa bint Koerayz de moeder van ‘Uthmaan ibn ‘Affaan radi Allaahu ‘anha.

Zijn Vrouwen ‘alayhi salatu wa-salaam:



Chadiedjah bint Choewaylid ibn Asad ibn ‘Abdoel-Uzza ibn Qoesay ibn Kilaab hij trouwde met haar toen hij vijfentwintig was. Zij leefde met hem tot en met de eerste openbaringen en overleed drie jaar voor de emigratie.
Sawdah bint Zam’ah ibn Qays ibn ‘Abdoesh-Shams ibn ‘Abdoe-woed ibn Nasr ibn Maalik ibn Hisal ibn ‘Aamir ibn Loe`ay. Hij trouwde voor de emigratie met haar .
‘Aisha bint Aboe Bakr as-Saddiq. Hij trouwde met haar in Mekkah twee jaar voor de
emigratie. Zij is de enige maagdin die hij gehuwelijkt heeft ‘alayhi salatu wa-salaam. Zij overleed in het jaar 58NH.
Hafsah bint ‘Omar ibn al-Chattaab. De profeet ‘alayhi salatu wa-salaam scheidde van Hafsah en werd
toen door Allaah geboden om haar terug te halen als zegen voor ‘Omar radi Allaahu ‘anh.3 Zij overleed in het jaar 27NH.
Oem Habiebah bint Aboe Soefyaan. Haar naam is Ramlah bint Sachr ibn Harb ibn Oemayah ibn ‘Abdoesh-Shams ibn ‘Abdoe-Manaaf. Zij overleed in het jaar 44NH.
Oem Salamah. Haar naam is Hind bint Abie Oemayah ibn al-Moeghayrah ibn ‘Abdoellaah ibn ‘Omar ibn Machzoem. Zij trouwde met de profeet  na overlijden van haar man Aboe Salamah. Zij overleed in het jaar 62NH.
Zaynab bint Djehsh ibn Rie`aab ibn Y’amor ibn Sabirah ibn Morrah ibn Kabier ibn
Ghanam ibn Nazaar ibn Ma’ad ibn ‘Adnaan. Zij is degene die Allaah met de profeet ‘alayhi salatu wa-salaamtrouwde van boven de zeven hemelen.4 Zij overleed in het jaar 20NH.
Zaynab bint Choezaymah ibn al-Haarith ibn ‘Abdoellaah ibn ‘Amr ibn ‘AbdoeManaaf ibn Hilaal ibn ‘Aamir ibn S’asa’ah ibn Moe’aawiyah. Zij stierf als enige vrouw naast Chadiejah tijdens het leven van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam in het jaar drie na Hiedjrah.
Djoewayrieyah bint al-Haarith ibn Abie Darraar ibn Habieb ibn ‘Aa`id ibn Maalik ibn al-Malmoestalaq al-Choezaa’iejah. Zij werd bij de veldslag van Banie Moestalaq als oorlogsbuit gevangen genomen en werd door de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam na een geschreven akte vrijgezet en vervolgens trouwde hij haar. Zij stierf in het jaar 56NH.
Safieyah bint Hoejee ibn Achtab ibn Abie Yehya ibn K’ab ibn al-Chazradj anNadriejah, zij is van het nageslacht van Haaroen ibn ‘Imraan -de broer van de profeet Moesaa ´alayhi asalaam- Zij werd als oorlogsbuit gevangen genomen en vervolgens vrijgezet door de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam Hierna trouwde hij haar en maakte zijn gunst tegenover haar dat hij haar vrijzette als haar bruidschat. Zij overleed in het jaar 30NH. Maymoenah bint al-Haarith ibn Hazn ibn Boedjayr ibn al-Haram ibn Roewaybah
ibn ‘Abdoellaah ibn Hilaal ibn ‘Aamir ibn S’asa’ah ibn Moe’aawiyah. Zij is de tante
van moederskant van Chaalid ibn al-Waleed en ‘Abdoellaah ibn ‘Abbaas. Zij is de
laatste die de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam van de moeders der gelovigen trouwde. Zij stierf in het jaar 63NH.

Over Zijn Edele Manieren ‘alayhi salatu wa-salaam:

De profeet ‘alayhi salatu wa-salaam was één van de dapperste mannen, ‘Ali ibn Abie Taalib radi Allaahu ‘anh heeft gezegd:
((Als wij in het heetst van de strijd waren en de twee legers elkaar ontmoeten zochten we bescherming bij de boodschapper ‘alayhi salatu wa-salaam.))5

Hij was één van de gulste mensen, hij werd nooit om iets gevraagd en zei dan: ‘Nee’.6
Hij schaamde zich meer dan een maagdelijke jonge vrouw, hij staarde nooit naar iemands gezicht. Hij wraakte of werd nooit boos omwille van zichzelf, maar wanneer de grenzen van Allaahs Verboden werden overschreden dan wraakte hij omwille van Allaah. De naasten en verren, zwakken en sterken waren bij hem gelijk wannneer het om de waarheid ging. Hij bekritiseerde nooit enig voedsel, als hij het luste dan at hij het en als hij het niet luste dan liet hij het staan.7

Hij at nooit terwijl hij leunende op iets of op een tafel.8 Hij weigerde nooit iets wat toegestaan is, als hij dadels aantrof dan at hij dat, en als hij brood, vlees, granen-, of gerstenbrood aantrof dan at hij dat en wanneer hij alleen melk aantrof dan nam hij daar genoegen mee. Hij at meloen en verse dadels en hij hield van zoetigheid en honing.9

Op gezag van Aboe Hoerayrah radi Allaahu ‘anh: ‘De boodschapper van Allaah ‘alayhi salatu wa-salaam heeft de wereld verlaten terwijl hij nooit verzadigd was door gerstenbrood.’10

‘En er passeerde zich één maand en twee maanden zonder dat er een vuur werd aangemaakt in een van de huizen van de familie van Mohammed. Hun eten bestond toentertijd uit water en dadels.’11

Hij zocht ook niet naar de beste soort kleding of eten. Hij droeg en at hetgeen aanwezig was. Hij repareerde zijn slippers, naaide zijn kleding, hielp zijn familie bij het huishouden en ging op ziekenbezoek.

Hij was de nederigste der mensen. Hij gaf gehoor aan een ieder die hem uitnodigde, rijk of arm, van lage of hoge stand. Hij hield van de armen, hij ging naar hun begrafenissen en zocht hun zieken op. Hij keek nooit neer op een arme.

Hij reed op paarden, kamelen, ezels e.d. en liet zijn dienaar of iemand anders achter hem zitten.
Zijn kleding was van wol. Hij hield het meest van al-Boeroed (i.e. een Jemens geblokt kleedstuk wat de arabische bedoeïnen dragen –as-Sihaah) uit Jemen waarin rood en wit zat.
Zijn ring en de steen in zijn ring waren van zilver. Hij droeg deze aan zijn rechterpink en soms droeg hij hem links.12
Soms bond hij uit honger een steen om zijn maag, terwijl Allaah hem alle sleutels der rijkdommen van de wereld wilde gegeven, maar hij weigerde dit te nemen omdat hij dit graag voor het hiernaamaals wilde bewaren.
Hij maakte veel glorificatie (van Allaah) en maakt weinig spel. Hij maakte zijn gebed lang en verkorte zijn (vrijdagmiddag) preek. Hij glimlachte veel en was de beste als je hem ontmoette, terwijl hij constant in
gedachte was. Hij hield van parfum en haatte slechte geuren. Hij verwelkomde edele mensen, trakteerde de rechtschapen en hij keerde nooit zijn gezicht van iemand af (wanneer diegene hem aansprak). Hij maakte (weleens) grapjes maar sprak dan altijd waarheid. Hij accepteerde het excuus van degene die hem excusseerde. Hij had dienaren en dienaressen maar hij verhief zichzelf nooit boven hen in zijn eten of
kleding. Er verstreek bij hem geen tijd zonder dat hij die besteedde met werk voor Allaah of voor dat wat noodzakelijk voor hem en zijn familie was. Hij hoedde schapen en zei: ‘Er is geen profeet geweest alleen dat hij schapen heeft gehoed.’13

‘Aisha werd gevraagd over de manieren van de boodschapper van Allaah en zei: ‘Zijn manieren waren in overeenstemming met de Qor`aan.’14
Hij werd kwaad omwille hiervan en had welbehagen met dat waar het welbehagen mee heeft.
En het is authentiek dat Anas radi Allaahu ‘anh heeft gezegd: ‘Ik heb nog nooit (een soort van)
fluweel of zijde aangeraakt dat zachter was als de handpalm van de boodschapper van Allaahalayhi salatu wa-salaam. Ook heb ik nooit een beter geur geroken dan die van de (huid van) de boodschapper alayhi salatu wa-salaam. Voorwaar, ik heb de boodschapper van Allaah alayhi salatu wa-salaam tien jaar gediend, maar hij heeft nooit Oef tegen mij gezegd of mij beripsd door te zeggen: ‘Waarom heb je dit gedaan of waarom heb je dat niet gedaan?’15

Allaah subhaanahu wa ta3ala heeft hem de meest perfecte manieren en goede handelingen gegeven en Hij heeft hem kennis van de eersten en de laatsten en datgene waarin succes en voorspoed ligt gegeven. Hij was een anafalbeet en had geen menselijke leraar. Hij groeide op in een woestijngebied waar onwetendheid heerste. Toch heeft Allaah hem uitverkoren boven de eersten en de laatsten en hem datgene gegeven wat Hij niet gaf aan iemand anders van de ‘Alemien.

Moge Allaahs Zegeningen met hem zijn tot en met de Dag der Opstanding!

 

De Wonderen 17 van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam (Vanuit Sahieh al-Boechaarie):

1. De Heilige Qor’aan was het levende wonder, geschonken door Allaah ta’alla aan de hem geopenbaard en vandaag zijn er 1400 jaar verstreken en niemand is in staat geweest om ook maar één enkele letter te veranderen of een imitatie te produceren zoals er gezegd wordt in de Qor’aan:”Voorwaar, Wij zijn het Die de Vermaning (de Qor’aan) hebben neergezonden. En voorwaar Wij zijn daarover zeker de Wakers.” Soerah al-Hidjr 15:09,en de verklaring van de Profeet alayhi salatu wa-salaam:“Vóór mij werd aan iedere Profeet een wonder gegeven en zij praktiseerden het gedurende hun leven: i.e. Jezus was gewoon de zieken te genezen en wekte de doden met de Wil van Allaah tot leven, etc. Mozes werd de staf gegeven, etc. en ik heb het permanente wonder (van) de Qor’aan gekregen, totdat Het Uur vastgesteld wordt. Ik hoop dat mijn volgelingen groter in aantal zullen zijn dan alle andere boodschappers, want mijn wonder zal tot aan de Dag der Opstanding blijven, en het is een Glorieus Boek. Wanneer iemand hem leest, ook al is hij een ongelovige, etc. dan zal hij overtuigd zijn dat het niet door een levend wezen of een geschapen iets (engelen) geschreven is, maar dat het van de Schepper van de hemelen en de aarde afkomstig is.
2. Het splijten van de maan: Anas radi Allaahu ´anh heeft overgeleverd dat de Mekkanen aan de Profeet alayhi salatu wa-salaam hen een wonder te laten zien, en zo liet hij hen het splijten van de maan zien. (Hadith nr. 831 Vol. IV, Sahih Al Bukhari, Engelse Vertaling).Abdullah bin Massoed radi Allaahu ´anh heeft overgeleverd : Gedurende het leven van de
Profeet ‘alayhi salatuwa-salaam was de maan in twee gedeeltes gespleten waarop de Profeet ‘alayhi salatuwa-salaam zei
,“Wees getuige (van dit)”. Hadith nr. 830 Vol. IV.3. Het huilen van de stam van de dadelpalmboom in de Moskee van de Profeet alayhi salatu wa-salaam heeft overgeleverd dat de Profeet alayhi salatu wa-salaam Ibn ‘Umar radi Allaahu ´anhgewoon was zijn Choetbah (religieuze toespraak) te geven terwijl hij tegen de stam van een dadelpalmboom leunde. Toen hij de preekstoel had gemaakt en hem daarvoor in de plaats gebruikte, begon de stam te huilen en de Profeet alayhi salatu wa-salaam ging naar hem toe, en wreef er met zijn hand over heen (om z’n huilen te stoppen). Hadith
nr. 783 Vol. IV.

 

4. Het stromen van het water tussen de vingers van de Boodschapper van Allaah alayhi salatu wa-salaam Hadith nr. 779 Vol. IV: ‘Abdullah radi Allaahu ´anh heeft overgeleverd: “Wij waren gewoon wonderen als Allaah’s Zegeningen te beschouwen, maar jullie mensen beschouwen hen als een waarschuwing. We waren een keer op reis met de Apostel van Allaah alayhi salatu wa-salaam toen we water tekort kwamen. Hij alayhi salatu wa-salaam zei, “Breng het resterende watermet je mee.” De mensen brachten een gebruiksvoorwerp waar een beetje water in zat.Hij plaatste zijn hand erin en zei, “Kom naar het gezegende water, en de Zegen komt van Allaah.” Ik zag het water tussen de vingers van Allaah Zijn Apostel alayhi salatu wa-salaam stromen, en zonder twijfel hoorden wij de maaltijd Allaah prijzen toen het gegeten werd (door hem.)

 

5. De Profeet zijn maaltijden waren gewoon Allaah te prijzen terwijl hij at, en deze glorificatie werd door de metgezellen van de Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam gehoord. Hadith nr. 779, Vol. IV: Zie punt 4

 

6. Stenen waren gewoon de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam te begroeten wanneer hij de
wegen van Mekka passeerde.

 

7. Het uitwerpen van een dood lichaam van een Christen door de aarde:
Op gezag van Anas radi Allaahu ´anh:

‘Er was een Christen die zich bekeerde tot de Islaam en Soerah Al Baqarah en Ali ‘Imraan las en hij was gewoon de openbaring voor de Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam te schrijven. Naderhand bekeerde hij zich weer tot het Christendom en zei,


“Mohammed weet niets dan wat ik voor hem heb geschreven.”

 

Toen liet Allaah hem doodgaan en de mensen begroeven hem, maar ’s ochtends zagen zij dat de aarde zijn lichaam eruit had geslingerd.” Zij zeiden: “ Dit is een daad van Mohammed en zijn metgezellen. Zij hebben het graf van onze metgezel geopend en hebben zijn lichaam er uit gehaald omdat hij van hen weg ging, dus groeven zij het graf weer dieper voor hem, maar ’s ochtends zagen zij weer dat de aarde het lichaam eruit had geslingerd.”

 

Zij zeiden, “Dit is een daad van Mohammed en zijn metgezellen.” Dus groeven zij een derde graf voor hem zo diep als zij konden, maar s’ ochtends zagen zij dat de aarde het lichaam er uit had geslingerd. Toen geloofden zij dat wat hen was overkomen niet gedaan was door de mens, en zij moesten het lichaam op de grond laten. Hadith nr. 814 Vol. IV.

 

8. De beschutting (schakering) door de bomen, voor de Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam om
zijn behoefte te doen.

 

9. De stijging van het water in de put bij al-Hoedaybiya nadat het uitgedroogd was.
Hadith nr. 777, Vol. IV.:Al-Bara’ radi Allaahu ´anha heeft overgeleverd: Wij waren met 1400 personen op de dag van
Al-Hoedaybiya (Vredesverdrag). Al-Hoedaybiya was een put. We haalden het water eruit en lieten geen druppel achter. De Profeet ‘alayhi salatuwa-salaam zat aan de rand van de put en vroeg om wat water waarmee hij zijn mond spoelde en toen spuugde hij het uit in de put. We verbleven er een korte tijd en haalden toen water uit de put en lestten onze dorst en zelfs ons rijdieren dronken water tot hun tevredenheid
.10. De toename in het aantal dadels in de tuin van Djaabir bin ‘Abdoellah, nadat de
Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam rondom een van de hopen dadels liep en Allaah aanriep voor
Zijn Zegeningen. Hadith nr. 780 Vol. IV:Djaabir radi Allaahu ´anh heeft overgeleverd: Mijn vader stierf terwijl hij schulden had. Ik kwam naar de Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam en zei, “ Mijn vader is gestorven en heeft onbetaalde schulden achtergelaten, en ik heb niets behalve de opbrengst van zijn dadelpalmen; en hun opbrengst zal voor vele jaren zijn schulden niet dekken. Kom alstublieft met mij mee, zodat de schuldeisers zich niet zullen misdragen tegen mij.” De Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam ging rondom een van de hopen dadels en riep Allaah aan, en deed toen hetzelfde met een andere hoop en zat erop en zei, “Meet (voor hen).” Hij betaalde hen hen rechten en wat overbleef was evenveel als wat er aan hen betaald was.

 

11. Het spreken van de wolf: Het is overgeleverd dat een wolf ook tegen één van de metgezellen van de Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam sprak dicht bij Medina, zoals overgeleverd in Fatah-ul-Bari (Vol. VIII, p. 23).

 

Op het gezag van Unais bin ‘Amr radi Allaahu ‘anh : Ahban bin Aus zei,

“ Ik was bij mijn schapen. Plotseling greep een wolf een schaap en ik schreeuwde er naar. De wolf ging
op zijn staart zitten en richtte zich tot mij, zeggende, “Wie zal er op letten (i.e de schapen) als jij bezig bent en niet in staat bent er op te letten? Verbied jij mij de voorziening die Allaah voor mij voorzien heeft?” Ahban voegde er aan toe, “ Ik klapte in mijn handen en zei, ‘Bij Allaah, ik heb nog nooit zoiets eigenaardigs en wonderbaarlijks gezien! Daarop zei de wolf, ‘Er is iets eigenaardigers en wonderbaarlijkers dan dit; dat is Allaah’s Apostel ‘alayhi salatu wa-salaam die in palmbomen mensen uitnodigt naar Allaah (i.e. de Islaam).’” Unais bin ‘Amr zei verder, “Toen ging Ahban naar Allaah’s Apostel ‘alayhi salatu wa-salaam en informeerde hem wat er gebeurd was en aanvaardde de Islaam.

 

12. De Mi’raj: De stijging van de ‘alayhi salatu wa-salaam naar de hemelen.
(Zie ook: Vol. I, hadith nr. 345)Hadith nr. 227, Vol. 5: Anas bin Malik van Malik bin Sa’sa’a radi Allaahu ´anh heeft overgeleverd dat Allaah’s Apostel ‘alayhi salatu wa-salaam zijn Nacht Reis aan hen beschreef, zeggende, “ Terwijl ik in Al-Hatim of Al-Hidjr lag, kwam er plotseling iemand naar mij toe en sneed mijn lichaam open van hier tot hier.” Ik vroeg Al-Jarud die bij mij was, “Wat bedoelt hij?” Hij zei, “Het betekent van zijn keel tot aan zijn schaamstreek,” of zei, “Vanaf het bovenste van de borst.” De Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam zei verder,“Hij haalde toen mijn hart eruit. Daarna werd er een gouden dienblad vol met Geloof naar mij gebracht en werd mijn hart gewassen en gevuld (met Geloof) en werd toen in zijn oorspronkelijke plaats teruggezet. Toen werd er een wit dier naar mij gebracht dat kleiner dan een muildier en groter dan een ezel was.” (Hierop vroeg Al-Jarud, “Was het de Buraq, O Abu Hamza?” Ik (i.e.Anas) antwoordde met ja.). De Profeet ‘alayhi salatu wa-salaam zei, “De pas van het dier (was zo groot dat het) het verste punt binnen het bereik van zijn gezichtsveld reikte. Ik werd erop gedragen, en Djibriel vertrok met
mij totdat we de dichtstbijzijnde hemel bereikte.
Toen hij vroeg of de poort geopend kon worden werd er gevraagd, ‘Wie is daar?’ Djibriel antwoordde, ‘Djibriel.’ Er werd gevraagd, ‘Wie vergezelt jou?’ Djibriel antwoordde, ‘Mohammed.’ Er werd gevraagd, ´Is Mohammed geroepen? Djibriel antwoordde met ja. Toen werd er gezegd, ‘Hij is welkom. Wat een uitstekend bezoek is dit!’

De poort werd geopend, en toen ik over de eerste hemel ging, zag ik Adam daar. Djibriel zei (tegen mij), ‘Dit is jouw vader, Adam; geef hem jouw begroetingen.’ Dus begroette ik hem en begroette hij mij terug en zei, ‘Je bent welkom, o vrome zoon en vrome Profeet.’ Toen steeg Djibriel met mij tot we de tweede hemel bereikten. Djibriel vroeg of de poort geopend werd. Er werd gevraagd, ‘Wie is daar?’ Djibriel antwoordde, ‘Djibriel.’ Er werd gevraagd, ‘Wie vergezelt jou?’ Djibriel antwoordde, ‘Mohammed.’ Er werd gevraagd, ‘Is hij geroepen?’ Djibriel antwoordde bevestigend. Toen werd er gezegd, ‘Hij wordt verwelkomd. Wat een uitstekend bezoek is dit! De poort werd geopend. Toen ik over de tweede hemel ging zag ik Yahya en ‘Isaa daar die neven van elkaar zijn. Djibriel zei (tegen mij), ‘Dit zijn Yahya en ‘Isaa; begroet hen.’ Dus begroette ik hen en beide begroetten mij terug en zeiden, ‘Je bent welkom o vrome broeder en vrome Profeet.’

 

Toen steeg Djibriel met mij naar de derde hemel en vroeg of de poort werd geopend. Er werd gevraagd, ‘Wie is daar?’ Djibriel antwoordde, ‘Djibriel.’ Er werd gevraagd, Wie vergezelt jou?’ Djibriel antwoordde, ‘Mohammed.’ Er werd gevraagd, ‘Is hij geroepen?’ Djibriel antwoordde met ja. Toen werd er gezegd, ‘Hij is welkom, wat een uitstekend bezoek is dit!’ De poort werd geopend en toen ik over de derde hemel ging zag ik Yoessoef daar. Djibriel zei (tegen mij), ‘Dit is Yoessoef; geef hem jouw begroetingen.’ Dus ik begroette hem en begroette mij terug en zei, ‘Je bent welkom, o vrome broeder en vrome Profeet.’

 

Toen steeg Djibriel met mij naar de vierde hemel en vroeg of de poort geopend werd. Er werd gevraagd, ‘Wie is daar?’ Djibriel antwoordde, ‘Djibriel.’ Er werd gevraagd, ‘Wie vergezelt jou?’ Djibriel antwoordde, ‘Mohammed.’ Er werd gevraagd, ‘Is hij geroepen?’ Djibriel antwoordde met ja. Toen werd er gezegd, ‘Hij is welkom, wat een uitstekend bezoek is dit!’ De poort werd geopend en toen ik over de vierde hemel ging zag ik Idries daar. Djibriel zei (tegen mij), ‘Dit is Idries; geef hem jouw begroetingen.’ Dus begroette ik hem en hij begroette mij terug en zei, ‘Je bent welkom, o vrome broeder en vrome Profeet.’

 

Toen steeg Djibriel met mij naar de vijfde hemel en vroeg of de poort geopend werd. Er werd gevraagd, ‘Wie is daar?’ Djibriel antwoordde, ‘Djibriel.’ Er werd gevraagd, ‘Wie vergezelt jou?’ Djibriel antwoordde, ‘Mohammed.’ Er werd gevraagd, ‘Is hij geroepen?’ Djibriel antwoordde met ja. Toen werd er gezegd, ‘Hij is welkom, wat een uitstekend bezoek is dit!’ Dus toen ik over de vijfde hemel ging zag ik Haroen daar. Djibriel zei (tegen mij), ‘Dit is Haroen; geef hem jouw begroetingen.’ Dus ik begroette hem en hij begroette mij terug en zei, ‘Je bent welkom, o vrome broeder en vrome Profeet.’

 

Toen steeg Djibriel met mij naar de zesde hemel en vroeg of de poort geopend werd. Er werd gevraagd, ‘Wie is daar?’ Djibriel antwoordde, ‘Djibriel.’ Er werd gevraagd, ‘Wie vergezelt jou?’ Djibriel antwoordde, ‘Mohammed.’ Er werd gevraagd, ‘Is hij geroepen?’ Djibriel antwoordde met ja. Toen werd er gezegd, ‘Hij is welkom, wat een uitstekend bezoek is dit!’ Toen ik ging (ovder de zesde hemel), zag ik Moesaa daar. Djibriel zei (tegen mij), ‘ Dit is Moesaa; geef hem jouw begroeting.
Dus ik begroette hem en hij begroette mij en zei, ‘Je bent welkom, o vrome broeder en vrome Profeet.’

 

Toen ik hem verliet (i.e. Moesaa) weende hij. Iemand vroeg hem, ‘Wat maakt jou aan het wenen?’ Moesaa zei, ‘ Ik ween omdat er na mij (als Profeet) een jonge man is gestuurd wiens volgelingen het Paradijs in grotere getale zullen betreden dan mijn volgelingen.’

 

Toen steeg Djibriel met mij naar de zevende hemel en vroeg of de poort geopend werd. Er werd gevraagd, ‘Wie is daar?’ Djibriel antwoordde, ‘Djibriel.’ Er werd gevraagd, ‘Wie vergezelt jou?’ Djibriel antwoordde, ‘Mohammed.’ Er werd gevraagd, ‘Is hij geroepen?’ Djibriel antwoordde met ja. Toen werd er gezegd, ‘Hij is welkom, wat een uitstekend bezoek is dit!’ Dus ik ging (over de zevende hemel), waar ik Ibrahiem zag. Djibriel zei (tegen mij), ‘ Dit is jouw vader; geef hem jouw begroetingen.’ Ik begroette hem en hij begroette mij terug en zei, ‘Je bent welkom, o vrome zoon en vrome Profeet. ’

 

Toen werd ik gemaakt te stijgen naar Sidratoel-Moentaha (i.e. de Lotus Boom van de verste limiet). Aanschouw! Zijn vruchten waren als de kruiken van Hadjr (i.e. een plaats vlakbij Medina) en zijn bladeren waren zo groot als de oren van olifanten. Djibriel zei, ‘Dit is de Lotus Boom van de verste limiet.’ Aanschouw! Er stroomden vier rivieren, twee waren verborgen en de andere twee waren zichtbaar.

 

Ik vroeg, ‘Wat zijn deze twee soorten rivieren, O Djibriel?’ Hij antwoordde, ‘Wat de verborgen rivieren betreft, zij zijn twee rivieren in het Paradijs, de zichtbare rivieren zijn de Nijl en de Eufrates. Toen werd Al-Bait al-Ma’moer (i.e. het Heilige Huis) aan mij getoond en een vat vol met wijn en en ander vol met melk en een derde vol met honing werden naar mij gebracht. Ik nam de melk. Djibriel maakte de opmerking, ‘Dit is het Islaamitische geloof dat jij en je volgelingen volgen.’

 

Toen werden de gebeden aan mij opgelegd: Het waren vijftig gebeden per dag. Toen ik terugkeerde passeerde ik Moesaa die (mij) vroeg, ‘Wat is jou bevolen te doen?’ Ik antwoordde, ‘Ik ben bevolen vijftig gebeden per dag uit te voeren.’ Moesaa zei, ‘Jouw volgelingen kunnen vijftig gebeden per dag niet verdragen, en bij Allaah, ik heb mensen voor jou getest, en ik heb mijn uiterste best gedaan bij Bani Israil (tevergeefs). Ga terug naar jouw Heer en vraag om vermindering van de last voor jouw volgelingen.’

 

Dus ging ik terug, en bracht Allaah tien gebeden voor mij in vermindering. Toen kwam ik weer bij Moesaa, maar hij herhaalde hetzelfde als wat hij voorheen zei. Ik ging toen terug naar Allaah en Hij bracht tien gebeden in vermindering. Toen ik terug kwam bij Moesaa zei hij hetzelfde, ik ging terug naar Allaah en hij beval mij tien gebeden per dag uit te voeren. Toen ik terug kwam bij Moesaa herhaalde hij hetzelfde advies, dus ik ging terug naar Allaah en werd bevolen vijf gebeden per dag uit te voeren. Toen ik terug kwam bij Moesaa, zei hij, ‘ Wat is jou bevolen?’ Ik antwoordde, ‘Ik ben bevolen vijf gebeden per dag uit te voeren.’ Hij zei, ‘Jouw volgelingen kunnen vijf gebeden per dag niet verdragen, en zonder twijfel, ik heb een ervaring met de mensen vóór jou, en ik heb mijn uiterste best gedaan bij Bani Israil, dus ga terug naar jouw Heer en vraag
om vermindering van de last van jouw volgelingen.’

 

Ik zei Ik heb zoveel van mijn Heer gevraagd dat ik mij schaam, maar ik ben nu tevreden en geef mij over aan het Bevel van Allaah.’ Toen ik wegging, hoorde ik een stem zeggen, ‘Ik heb Mijn Bevel doorgegeven en heb de last voor mijn Dienaren verminderd.

 

_________
Voetnoten

1Overgeleverd door al-Boechaarie nr. 3532, 4896 en Moslim nr. 2354.
2Dit verhaal is overgeleverd door at-Tirmidhie en de schrijver heeft het hier samengevat. Al-‘Allaamah
Al-Albaanie heeft het authentiek verklaard in Sahieh at-Tirmidhie 3/191 en in al-Mishkaat nr. 5918
3Overgeleverd door Aboe Dawoed nr. 2283, an-Nesaa`ie 6/213, Ibn Maadjah nr. 2016 en al-Albaanie
heeft het als authentiek verklaard.
4Zie al-Boechaarie nr. 7420
5Overgeleverd door Ahmed in al-Moesnad en Ahmed Shaakir verklaarde hem Sahieh. En in Sahieh
Moslim staat een hadieth die hiervoor getuigt nr. 1776.
6Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 6033 en Sahieh Moslim nr. 2311.
7Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 5409 en Sahieh Moslim nr. 2064.
8 Zie Mochtaser ash-Shamaa-il nr. 165.
9Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 5368 en Sahieh Moslim nr. 1474.
10Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 5414 en Sahieh Moslim nr. 2976.
11Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 6458 en Sahieh Moslim nr. 2972 op gezag van ‘Aisha
12Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 5877 en Sahieh Moslim nr. 2094.
13Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 2263 en Sahieh Moslim nr. 2050.
14Overgeleverd door Moslim 736 en Aboe Dawoed 1342 e.a.
15Zie Sahieh al-Boechaarie nr. 3561 en Sahieh Moslim nr. 2309 en Aboe Dawoed nr. 4774.
16Hier eindigt de biografie van de boodschapper van Allaah ta’alla geschreven door ‘Abdoel-Ghanie
al-Maqdasie. Het hoofdstuk over de wonderen van de profeet ‘alayhi salatu wa-salaam hebben we inplaats vanuit ‘AbdoelGhanie’s boek uit Sahieh al-Boechaarie gehaald. Moge Allaah ons er nut van laten hebben! Amien.(SP)
17De bedoeling is datgene wat Allaah via zijn handen als wonderen heeft laten gebeuren, want de
mensen kunnen geen wonderen begaan alleen met de wil van Allaah. (Selefie Publikaties)


Sûrat Al-Fîl
(The Elephant) CV

In the Name of Allâh,
the Most Gracious, the Most Merciful

1. Have you (O Muhammad صلى الله عليه وسلم) not seen how your Lord dealt with the owners of the Elephant? [The Elephant army which came from Yemen under the command of Abrahah Al-Ashram intending to destroy the Ka‘bah at Makkah].

2. Did He not make their plot go astray?

3. And He sent against them birds, in flocks,

4. Striking them with stones of Sijjîl (baked clay).

5. And He made them like (an empty field of) stalks (of which the corn has been eaten up by cattle).[2]

[1] (V.104:1) See the footnotes A, B, C, of (V.49:12).
[2] (V.105:5) The story of the army of the Elephants (the Qur’ân 105:1-5). This incident happened during the period of the birth-year of Prophet Muhammad صلى الله عليه وسلم. Abrahah Al-Ashram was the governor of Yemen on behalf of the king of Ethiopia (as Yemen was a part of the Ethiopian kingdom). He (Abrahah) thought to build a house (like the Ka‘bah at Makkah) in San‘a (the capital of Yemen) and call the Arabs to perform the pilgrimage there in San‘a instead of the Ka‘bah (Al-Bait Al-Harâm) in Makkah, with the intention of diverting the trade and benefits from Makkah to Yemen. He presented his idea to the king of Ethiopia who agreed to his idea. So the house (church) was built and he named it Al-Qullais; there was no church of its like at that time. Then a man from the Quraish tribe of Makkah came there and was infuriated by it, so he relieved his nature (stools and urine) in it, soiled its walls and went away. When Abrahah Al-Ashram saw that, he could not control his anger and raised an army to invade Makkah and demolish the Ka‘bah. He had in that army thirteen elephants and amongst them was an elephant called Mahmûd which was the biggest of them. So that army proceeded and none amongst the Arab tribes that faced them (fought against them) but was killed and defeated, till it approached near Makkah. Then there took place negotiations between Abrahah Al-Ashram and the chief of Makkah (Abdul Muttalib bin Hâshim, the grandfather of the Prophet صلى الله عليه وسلم), and it was concluded that Abrahah would restore the camels of Abdul Muttalib which he had taken away, and then he (Abrahah Al-Ashram) would decide himself as regards the Ka‘bah. Abdul Muttalib ordered the men of Makkah to evacuate the city and go to the top of the mountains along with their wives and children in case some harm should come to them from the invading oppressors. Then that army moved towards Makkah till they reached valley Muhassir. While the army was marching towards Makkah, in the middle of the valley, suddenly it was overtaken by flocks of birds, flocks after flocks, air-raiding that army with small stones slightly bigger than a lentil seed. There never fell a stone on a soldier except it dissolved his flesh and burst it into pieces. So they perished with a total destruction. Abrahah Al-Ashram fled away while his flesh was bursting into pieces till he died on the way (back to Yemen). Such was the victory bestowed by Allâh, (the All-Majestic, All-Powerful) to the people of Makkah and such was the protection provided by Him for His House (Ka‘bah in Makkah). (See Tafsîr Ibn Kathir, Sûrah Al-Fîl).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Resize text-+=